Column Joost Nijsen


JERUZALEM


Joost Nijsen 22-02-2011
 Met zo’n vijfenveertig uitgevers en redacteuren uit alle delen van de wereld, verblijf ik in het hoogste gebouw van Jeruzalem, het Crowne Plaza. Vakgenoten die eerder deelnamen aan dit prestigieuze ‘fellowship’ dat onderdeel is van de Jerusalem International Book Fair, weten dat er betere hotels bestaan, zoals het stijlvolle American Colony, waar Tony Blair een van de vaste gasten is. Wij groentjes troosten ons met regelmatig bezoek aan de bar van dit hotel.
 Er is nauwelijks een geschiktere omgeving te bedenken voor reflecties op ‘the gentleman’s occupation of publishing’ dan Israël, gegeven het grote belang alhier, toen, maar ook nu, van het boek, van expressie van gedachten en ideeën in een politiek en cultureel ongewoon complexe samenleving. Wat ons er overigens niet van weerhoudt elkaar in de Dode Zee, joelend als scholieren, te bekogelen met zwarte klei. Om ons later, terug in Jeruzalem, te vergapen aan de Dode Zeerollen, vroege uitingen van religie en beschaving.
 In zijn dankrede bij de aanvaarding van de Jerusalem Prize, wist Ian McEwan goed te balanceren tussen dankbaarheid voor deze prijs en zorg om de betonnen muur die hier West en Oost, jood en moslim, synagoge en moskee, gescheiden houden. ‘Politici,’ zei de gelauwerde romancier, ‘zouden hun patstellingen eens moeten verlaten en in het denken over oplossingen net zo veel verbeeldingskracht moeten stoppen als de schrijvers van romans.’
 Wat president Shimon Peres dacht op de voorste rij was niet aan hem te zien. Achter in de volle zaal riep iemand luidkeels ‘boe!’. Het kan geen toeval zijn dat op dat moment naast mij een mobieltje afging met als beltoon ‘Come Together’ van The Beatles.
 Mijn eigen telefoon bracht me overigens in een precaire situatie tijdens een bezoek aan de Klaagmuur in de Oude Stad, waar de straffe wind me dwong mijn verplicht gestelde keppeltje met de hand op mijn kruin te duwen. Toen mijn mobiel overging en ik beide handen nodig had om hem uit mijn tas te vissen, parkeerde ik het keppeltje even tussen mijn tanden. Ik geloof niet dat mijn actie erg goed viel bij de hevig biddende orthodoxe joden die me omringden, maar ik bleef ongedeerd.
 Halverwege de week kom ik vooral tot het inzicht dat waar de mensen hier, permanent en zeer ernstig in gesprek met zichzelf en elkaar, iets zouden kunnen leren van ons vermogen tot relativering en carpe diem, wij, westerse uitgevers, weleens dreigen te vergeten dat boeken niet alleen goede koopwaar zijn, maar – zeker in tijden van radicale veranderingen – ook een platform voor verhalen die ons verrijken en bijdragen tot meer inzicht in onszelf en anderen.
 ‘Amen,’ zou ik bijna zeggen, hier naast de kerk waar Jezus bloedend zou zijn binnengebracht.
 
Vanuit bewolkt Jeruzalem,