Podium


Column Joost Nijsen


TOEKOMST


Joost Nijsen 08-02-2011

Naar aanleiding van deelname aan een SLAA-debat, getiteld 'Het einde van de uitgeverij', vroeg dagblad Trouw mij om een opiniebijdrage. Hieronder volgt de tekst die zaterdag in deze krant gepubliceerd werd.

Maken nieuwe media de uitgeverij overbodig?

Sinds de opkomst van het e-book en de snelle opmars van sociale media als Twitter en Facebook, is verhit gediscussieerd over de toekomst van het boekenvak. Vooral boekhandels en uitgevers worden onder vuur genomen.

Tot de aanklagers behoren, behalve een stoet hele en halve visionairs die hun bestaan en vaak ook hun boterham ontlenen aan het stellig uitventen van toekomstscenario’s, uiteraard allerlei belanghebbenden bij de opkomende industrie van het digitale lezen, zoals producenten van e-books. Maar de felste reacties komen van de schrijvers.

Mogelijk valt een deel van hun verontwaardiging te herleiden tot een bij sommige auteurs wel begrijpelijke frustratie over een te gering aantal lezers. Maar de toon is gezet: de gevestigde uitgeverijen haken te traag in op de toekomst, net als destijds de muziekproducenten. Sommige auteurs schetsen het scenario van de schrijver als ondernemer, die zijn boeken zelf de wereld in schopt. En dat eigenlijk veel beter kan dan de uitgevers, is de redenering, want de schrijver van de toekomst kan op die manier een groter stuk van de taart voor zichzelf houden. Ook kan hij de marketing van zijn boeken veel beter zelf verzorgen, door intensief te twitteren en facebooken. Het enige wat je dan nog mist is redactie, maar daarvoor kun je makkelijk ergens een zzp’er opsnorren.

Ik snap wel dat die gedachten bij schrijvers opkomen. Niet alle uitgevers stonden de laatste jaren even open voor nieuwe wegen. Maar de ontwikkelingen gaan voort, en als ik nu om me heen kijk, is het beeld van de archetypische uitgever goeddeels achterhaald.

Uitgevers hebben de sociale media inmiddels ontdekt als een welkome aanvulling op hun instrumentarium ter promotie van nieuwe boeken. Net als de schrijvers zelf zoeken ze daarbij nog naar de effectiefste toepassingen ervan. Schrijvers en uitgevers die een goede betrekking met elkaar onderhouden (zoals in mijn eigen praktijk) zullen daarover regelmatig overleggen. Daarbij zou mijn advies zijn aan schrijvers om, tegen een gepaste opbrengstverdeling, zo veel mogelijk werk aan hun uitgeverij over te laten, die waardevolle expertise kan leveren, van redactie tot marketing. Een schrijver moet zich zo min mogelijk als marskramer van zijn eigen werk opstellen.

In de exploitatie zal zich in toenemende mate ook het digitale traject voegen. Want al maakt de (legale) verspreiding van e-books nu nog slechts één procent van de omzet uit van de algemene boeken, lezers zullen steeds meer digitaal lezen. Het papieren boek zal daarmee net zo min verdwijnen als de radio toen de televisie opkwam, en de krant bij de opkomst van nieuws op internet. Het is allemaal en-en.

De uitgever is erop ingesteld zich, naast redactie, intensief met die nieuwe vormen van exploitatie bezig te houden. Hetgeen wat anders is dan als een kip zonder kop alle boeken digitaal de wereld in te slingeren. De befaamde historicus Robert Darnton juichte onlangs in Le Monde over een toekomst waarin alle boeken gratis via internet voor iedereen te lezen zijn. O ja, zei hij in een bijzin, we zitten dan wel nog met dat vervelende auteursrecht.

Auteursrecht is het brood van de schrijver (en van de uitgever, die de rechten exploiteert). Anders dan musici, die teruglopende inkomsten uit cd’s deels compenseren met optredens, blijft de schrijver voor inkomsten grotendeels afhankelijk van royalty’s. Schrijver en uitgever zouden samen moeten loeren op nieuwe kansen, zodat ook op het digitale lezen geld verdiend kan worden. 

De uitgever is geen dinosaurus, maar nog steeds de best denkbare zakenpartner voor de schrijver die, terecht, maar één ding verlangt: zo veel mogelijk gelezen te worden, en daar naar rato aan te verdienen.