Column Joost Nijsen


Haantjes


Joost Nijsen 24-01-2011

De man die zo’n twee miljoen lezers (ik tel uitleningen en buitenland nu even globaal mee) aan het huilen kreeg met zijn tweeluik KEVBDD/DE WEDUWNAAR, dreigt nu een nog onbekend, maar ongetwijfeld weer fors aantal lezers aan het lachen te krijgen. ‘Ik ken maar drie akkoorden,’ zei Kluun ooit. Een hem kenmerkende bescheidenheid ten opzichte van wat hij als ‘echte’ schrijvers beschouwt. Toch begin ik te vermoeden dat hij daar iets anders mee bedoelde dan iedereen denkt. Mensen aan het huilen krijgen: akkoord 1. Aan het lachen: Haantjes – akkoord 2. Het wachten is nu op zijn derde akkoord, een boek waarmee hij weer een andere primaire emotie bij de lezer weet los te maken. Wordt het vredesgezindheid? Woede? Lust? Ik ga het hem snel eens vragen. De komende weken zijn we nog even druk in de weer met zijn lach-akkoord, dat de boeken als gebraden haantjes uit de winkels doet vliegen (wees gerust, deze woordspeling sta ik mezelf één keer toe). Zo’n succes is goed voor de schrijver, die zich de komende jaren vrij kan blijven maken voor schrijven zonder een beroep te hoeven doen op steunfondsen. Maar het draagt ook bij tot economische gezondheid van onze uitgeverij, en daarmee tot de andere schrijvers die wij mogen uitgeven. Ook de boekenmarkt vertoont haantjesgedrag (oeps, gaat-ie weer) en neemt steeds meer de trekken aan van een hanengevecht (drie keer scheepsrecht), een survival of the fittest, waarbij, zoals Karl Marx al voorspelde, de rijken steeds rijker worden en de armen steeds armer. Aan de basis van literair uitgeven, deze gentleman’s occupation, ligt in mijn optiek het streven om met het succes van het ene oeuvre de ontwikkeling en continuïteit van de andere schrijver te waarborgen. Daar schuilt een element van mecenaat in, maar ook een zakelijk belang op lange termijn: waar de ene schrijver met zijn debuut meteen kassa’s doet rinkelen, hebben andere auteurs meer tijd nodig hun lezerspubliek te vinden. Het mag dan voor schrijver en uitgever ontnuchterend zijn en soms zelfs moedeloos makend om lang op een doorbraak te wachten, er is altijd dat lonkende perspectief dat ik zou willen noemen het Hersenschimmen-effect (de productieve schrijver Bernlef schreef decennialang voor een klein publiek van fijnproevers voordat hij met Hersenschimmen doorbrak).
In de associatieve maalstroom van deze column denk ik hier plotseling aan Tot ook ik verwaai van de dichter Peter Swanborn. Een vorig jaar verschenen gedichtenbundel die thematisch wel aan Hersenschimmen doet denken, met ingetogen en trefzekere gedichten over zijn dementerende moeder. Een geprezen bundel, met dankbaarheid gelezen niet alleen vanwege de poëtische kwaliteit, maar ook vanwege de schrijnende schetsjes van een krimpend, langzaam vervagend mensenleven. Swanborn noch uitgever kan van de verkopen zijn huur betalen, maar op een dag, geloof me, krijgt Marx zo maar ongelijk. Ik wens het Swanborn toe en alle andere schrijvers in het algemeen, maar die van Podium in het bijzonder. Kukeleku!