Podium


Nieuws

Sloot,-Sieger---kleur-(c)-R0.jpg
13-07-2007

Being Arnon Grunberg

Vandaag (13 juli 2007) onthulde NRC Handelsblad dat de debuutroman Stand-in geschreven is door Ernest van der Kwast en niet door acteur Sieger Sloot. In een groot interview op de kunstpagina vertelt Sloot over zijn ervaringen als stand-in: 'Een jaar geleden belde Ernest mij op. Hij zocht een stand-in onder wiens naam hij zijn nieuwe roman kon laten uitkomen. (...) Het leek me een interessant experiment om te kijken in hoeverre je de inhoud van een boek en de vorm waarin je het presenteert kan laten samenvallen.'

Tegelijkertijd met het interview legt Ernest van der Kwast in het Cultureel Supplement van dezelfde krant uit hoe de mystificatie tot stand kwam. Lees hieronder de volledige tekst.

 

Being Arnon Grunberg
Over de rand van het ravijn

In mei 1994 doet de Franse politie een inval in Château la Chaux, het atelier van schilder en kunsthandelaar Geert Jan Jansen. Zestienhonderd schilderijen worden in beslag genomen. Er zitten werken bij van Picasso, Matisse, Chagall. Echte werken én vervalsingen. Experts buigen zich over de in beslag genomen kunstwerken, maar deskundigen die gespecialiseerd zijn in de tekeningen van Picasso lukt het niet de echte van de onechte te scheiden.
Geert Jan Jansen wordt ‘de meestervervalser van de eeuw’ genoemd. In Château la Chaux had hij zeven kamers, elk ingericht als de studio van een van de meesters in wiens stijl hij schilderde. Karel Appel heeft ooit voor een litho gestaan en die voor echt verklaard. De litho was gesigneerd met Appel, maar vervaardigd door Jansen.
Als schrijver raakte ik geïntrigeerd door het verhaal van Geert Jan Jansen. De werken die hij schilderde waren geen kopieën. Het waren schilderijen die door de kunstenaar gemaakt hadden kunnen zijn.
Eén van de leerscholen van de schrijver is die van de imitatie. Er bestaan vele voorbeelden van schrijvers die zich hebben laten beïnvloeden door andere auteurs. Veelal gaat het om debutanten of jonge schrijvers die nog geen eigen stijl hebben ontwikkeld en leunen op hun voorbeeld. Dit zijn vaak auteurs met een uitgesproken stijl. Het is daarom niet vreemd dat Reve veel geïmiteerd werd, en dat Grunberg veel geïmiteerd wordt. Maar als het goed komt met de jonge schrijver, dan vindt hij zijn eigen taal en muziek. Wie Alles over Tristan van Tommy Wieringa leest, herkent het afgemeten proza van W.F. Hermans, maar wie Joe Speedboot leest, denkt niet meer aan de Totale Misantroop, die geniet van Tommy Wieringa.
Ikzelf ben beïnvloed door het proza van Arnon Grunberg. In mijn eerste twee boeken ademt de sfeer van zijn vroege werk. De laconieke stijl, de absurde humor, de herhalingen, de slapstick – dat allemaal was ik nog niet eerder tegengekomen bij één enkele schrijver.
Maar laat dit geen ode of liefdesbrief zijn. Laat dit een bekentenis zijn.
  
In juni 2005 begon ik aan mijn derde boek. Het boek waarin mijn eigen taal en muziek zouden moeten klinken. Want ook met mij als jong schrijver moest het maar eens goed komen. Na vier maanden schrijven begon ik echter te twijfelen. Ik was niet overtuigd van hetgeen ik deed, mijn eigen boek schrijven. Het voelde vreemd, vals zelfs. Mijn eigen muziek deed me pijn in de oren.
Ik wilde nog niet mijn eigen weg inslaan als schrijver, ik wilde de andere kant uit, terug naar de bron, nader tot mijn voorbeeld. Daarom besloot ik aan een ander boek te gaan werken. Een boek dat door een andere schrijver geschreven had kunnen zijn. Dit boek heet Stand-in. Het is de debuutroman van Sieger Sloot, maar het is geen Sieger Sloot, noch is het een Ernest van der Kwast. Het is een vervalsing.
Zoals Geert Jan Jansen doeken naar grote meesters schilderde, zo heb ik een boek naar Arnon Grunberg geschreven. Ik heb dit niet alleen gedaan omdat het voor mijzelf een logische stap was, maar ook omdat het voor Grunberg een logische stap zou kunnen zijn. Geen enkele andere Nederlandse schrijver heeft het thema identiteitsverlies zo in zijn werk verweven als Arnon Grunberg. Figuranten gaat over ‘het verlangen om iemand anders te worden’. In Fantoompijn heeft de hoofdpersoon zich van zijn eigen leven gedistantieerd. En onder de naam Marek van der Jagt heeft de schrijver geprobeerd ‘te ontsnappen aan zijn eigen geschiedenis’. Ook in het post-pseudoniem tijdperk presenteert Grunberg de lezer langzaam verdwijnende personages, in ieder geval personages die alles verliezen wat ze hebben.
Toen Marek van der Jagt in 2005 stierf ontstond het idee voor Stand-in. Niet de inhoud van het boek, die kwam later, maar de opzet. Misschien is het beter te spreken van ‘het experiment’. Want dat is waar het schrijven van een boek van iemand anders volgens mij op neerkomt. Een onderzoek naar substitutie.
Dit was de vraagstelling bij de proef: is de mystificatie de laatste stap van de schrijver? En dan doel ik niet op een fatale stap, zoals Jeroen Brouwers met ‘De laatste deur’ de dood bedoelt. Ik vroeg me af of er niet een stap is die verder gaat dan de mystificatie, een stap die misschien lijkt op die van een personage in een tekenfilm die zijn voet plaats over de rand van een ravijn en daar blijft staan. Een onmogelijke stap. Maar toch, een stap.
Met Stand-in heb ik getracht voorbij de laatste stap te komen, invulling te geven aan de onmogelijke schrede. Het is geen kopie, het is geen mystificatie. Het is een Appel die niet geschilderd is door Appel. Want dat is de onmogelijke stap voor de schrijver: de stap die hij zelf niet kan zetten, die een ander voor hem zet.
Iemand anders die jouw boek schrijft is ook een vorm van identiteitsverlies, misschien zelfs de ultieme.
Stand-in vertelt het verhaal van de onaangeraakte Andreas Mahlknecht die invalt voor schrijvers. Hij signeert hun boeken, ontvangt rozen en neemt podiumangsten over met de vanzelfsprekendheid waarmee familieleden elkaars kleren dragen.
Het liefst had ik Stand-in gesigneerd met de naam Arnon Grunberg, zoals Geert Jan Jansen zijn werken voorzag van een andere naam dan de zijne. Maar een oplage van 2000 boeken valt sneller op dan een oplage van één doek. Te snel. Daarom besloot ik een tweede Marek van der Jagt in het leven te roepen. Sieger Sloot. Geen fictieve schrijver, maar een echt persoon. Een acteur die invalt voor de vervalste schrijver.
In tekenfilms zijn er voor het personage dat over de rand van het ravijn stapt twee scenario’s: de veilige terugkeer en de val.
Of ik ben gevallen laat ik graag aan anderen over. De vertelling van een val moet je altijd aan anderen overlaten.
Over een eventuele veilige terugkeer wil ik wel vertellen. Maar niet zonder het eerst over het schrijfproces van Stand-in te hebben, een bijna maniakaal schrijfproces. Wie een boek in de geest van een andere schrijver wil schrijven, moet zich kunnen inleven in die schrijver. Hij moet niet alleen zijn techniek beheersen, hij moet ook zijn motieven weten. Eigenlijk, zou hij een kijkje moeten kunnen nemen in zijn hoofd.
In de film Being John Malkovich wordt achter een archiefkast een deurtje gevonden dat leidt naar het brein van John Malkovich. Iedereen die door het deurtje gaat, ervaart vijftien minuten lang wat Malkovich ervaart.
Het hoofd van Arnon Grunberg ben ik niet binnengeweest. Maar ik ken wel zijn werk van binnen en van buiten. Dichterbij het hoofd van de schrijver dan zijn boeken komt men niet. Drie maanden lang heb ik al zijn fictie bestudeerd, als een schriftgeleerde. Daarna kon het schrijven beginnen: zeven dagen per week, tien maanden lang, in de stijl van, naar de setting van, volgens de thematiek van, geïnspireerd door de seksuele perversies van.
En nu kom ik terug op de vraag over een eventuele veilige terugkeer. In Elizabeth Costello van J.M. Coetzee wordt ingegaan op de kwestie of schrijvers wel altijd ongeschonden terugkeren van de donkere contreien waarin ze zich wagen. In het hoofdstuk ‘Het probleem van het kwaad’ wordt gedoeld op een boek waarin de terechtstelling van de samenzweerders tegen Hitler een grote rol speelt. ‘Bladzij na bladzij na bladzij, zonder iets over te slaan,’ wordt ‘het naziwoud van gruwelen’ beschreven. Costello: ‘Kan iemand daar ongeschonden uit tevoorschijn komen?’
Ik wil het werk van Grunberg niet vergelijken met het werk van nazibeulen. Laat ik dat voorop stellen. Wat ik wel wil, is eerlijk zijn. En bij deze eerlijkheid hoort niet alleen een bekentenis maar ook een probleem. Kan ik veilig, dat wil zeggen: ongeschonden terugkeren van hetgeen ik heb geschreven? Is er niet stiekem een kleine norse Grunberg in mij neergedaald die vanaf nu stilistische en thematische aanpassingen zal proberen door te voeren in mijn eigen werk? Concreet: zal ik mijn dagen moeten slijten als epigoon?

En dan is er nog de acteur die verlost wil worden van zijn rol als schrijver. Een rol die steeds moeilijker is om te spelen, want het publiek wordt steeds kleiner. Wat begon als een hogere vorm van bedrog en interviews, medewerking aan radioprogramma’s, zelfs de voorpagina van nrc.next behelsde, is nu niet meer dan een intiem spel. Voor vrienden en familieleden. Eigenlijk is er geen sprake meer van een spel, slechts van een leugen. Een hardnekkige leugen waar je vanaf wil, zoals je van een geslachtsziekte af wil.

Geert Jan Jansen liep tegen de lamp door een spelfout. Niet door een verfklodder of verkeerd vergeeld papier. Een taalfout werd hem fataal. Hij schreef ‘environs’ in plaats van ‘environ’ op het echtheidscertificaat achterop een schilderij van Chagall.
De taal is helaas niet tegen mij gebruikt. Ik moet mezelf aangeven. Ik moet zeggen: ‘Ik ben de schrijver van dit boek.’
Er zal geen proces volgen, geen gevangenisstraf. Misschien kan onderduiken geen kwaad, voor een tijdje, voor een paar jaar. Om dan voorzichtig het daglicht tegemoet te treden. In de woorden van Andreas Mahlknecht, de hoofdpersoon van Stand-in: ‘Op een dag zou ik de voordeur openen en als iemand anders naar buiten treden.’
Ik wil daaraan toevoegen: ‘Als mezelf.’
  
Ernest van der Kwast is schrijver.

(Bron: NRC Handelsblad 13/07/07)

Column Joost Nijsen

  • L1010844-1024x611.jpg

    LIEVE ATHENAEUM

    16-09-2016 -
    Ik wilde deze column wijden aan de volgende week te verschijnen nieuwe roman van Ronald Giphart, Lieve. Maar nu was ik gisteravond op het halve-eeu...